SuriGids.com

 

 

 

Home
Up

 

 

De relatie Suriname, Nederland (Surinamers in Nederland, Surinaamse Nederlanders)

  • Suriname  als kolonie

In de jaren 1600 werd Suriname veroverd en gekoloniseerd door Nederland en werden er katoenen, tabak, koffie en later ook suiker plantages aangelegd.Om het zware werk op de plantages te verrichten gebruikte men eerst de indianen, later haalde men negers uit Afrika om als slaven te werken op de plantages.Na de verovering van Suriname door de Engelsen, werd Suriname wederom veroverd door de Nederlander Abraham Crijnssen (1667)en hierbij hebben o.m. de 1 ste en 2 de West-Indische Compagnie (WIC) een belangrijke rol gespeeld. De plantagelandbouw die de WIC in de 17de en 18de eeuw leverde, steunde tot 1863 geheel op het systeem van de slavernij. Na de afschaffing van de slavernij op 1juli 1863, haalde men hindoestanen uit India, javanen uit Indonesie en chinezen uit China om als  emigranten te werken in  Suriname.

In  deze periode kondigde de Nederlandse regering de assimilatiepolitiek af , dat erop gericht  was om de toenmalige kolonie zoveel mogelijk te vernederlandsen door invoering van een rechtsbedeling naar Nederlands model in 1869 en de leerplicht in 1876. Maar na invoering van de  wetgeving  van het huwelijksrecht voor de Aziatische segmenten in de Surinaamse samenleving begonnen er twijfels te ontstaan over de assimilatie politiek, tijdens het bewind van gouverneur Kielstra (1933-1944).

De politieke bewustwording in Suriname nam in de jaren dertig sterk toe. Dit vanwege het feit dat via een  Interimregeling en Statuut "ondanks vele meningsverschillen van politiekeleiders en delen van de bevolking", resulteerde in de totstandkoming van de onafhankelijkheid op 25 nov. 1975. Hiermee kwam tevens een eind aan de grootschalige emigratie gedurende de voorafgaande jaren vanuit Suriname naar Nederland. Bij de onafhankelijkheid bereikten beide landen overeenstemming inzake een meerjarenontwikkelingsprogramma voor de uitvoering waarvan Nederland gedurende 10 tot 15 jaar Nf 3,5 miljard ter beschikking zal stelde.

Nederland heeft eenzijdig de besteding van dit bedrag gedoneerd. Zo werd ook een groot deel verbrast in de vorm van een west-Suriname project. Met name de aanleg van een spoorlijn waar nooit een trein op gereden heeft, materieel zoals treinstellen, die in feite afgeschreven materiaal van de Nederlandse Spoorwegen waren. Hiervoor werden forse bedragen betaald. Ook hebben Nederlandse ingenieursbureau's dik verdiend aan de ontwikkelingsgelden. Al met al, zo gul als het beloofd werd, zo goed kon de Nederlandse regering naar zichzelf toerekenen. Ook werd door andere Nederlandse bedrijven dik verdiend.

Er kwamen volkswoningbouwprojekten, waar huizen gebouwd werden met dakpannen, een nieuw fenomeen in de Surinaamse geschiedenis. Zinkplaten waren een stuk goedkoper, alleen werden die niet in Nederland geproduceerd en mochten daarom ook niet gebruikt worden. In 1982 na de decembermoorden werd dit meerjarenontwikkelingsprogramma stopgezet en het overgebleven geld bevroren. Met mondjesmaat keurt Nederland nog projecten goed, van de resterende gelden.

 

STAAT, ECONOMIE, GESCHIEDENIS

  • Bestuur

Op 25 nov. 1975 werd Suriname een onafhankelijke republiek met een parlementaire democratie, waarbij het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden kwam te vervallen, evenals de Staatsregeling van 1955, die werd vervangen door de Grondwet. De naleving hiervan werd door de president toegezien ,welke vervolgens door de parlement werd gekozen.

Suriname en Nederland onderhouden sedert de onafhankelijkheidsverklaring diplomatieke betrekkingen op ambassadeursniveau. De leden van het parlement worden voor vier jaar gekozen via het algemeen kiesrecht. Na de revolutie is het parlement, door de Militaire leiding een tijd lang buiten spel gezet. Het parlement functioneert nu weer en Suriname is weer een rechtsstaat.

Muntwezen.

Munteenheid is de Surinaamse gulden. De koers van Surinaamse gulden was vlak voor de onafhankelijkheid ongeveer: Sf 1 = Nf 1,43. De enorme devaluatie heeft de Surinaamse gulden op een koers doen belanden van: Sf 882 = Nf 1,00. ( Bron Centrale Bank van 21/11/2001). Een dieptepunt werd bereikt in Oktober 2000, toen was de Surinaamse nog maar Sf 1100,-   = Nf 1,00 waard.( € 0,45 )

Economie.

De economie is vanouds sterk afhankelijk van het buitenland. Tijdens de bloei van de plantages dreef het land op de suikerexport, thans in overwegende mate op de winning van bauxiet door de Suralco en de Billiton. Plannen zijn in uitvoering voor exploitatie van bauxietreserves in West-Suriname.
Het werkgelegenheidsaandeel van deze sector is thans (1976) nog niet hoog (ca. 8%) en de werkloosheid nam gedurende de laatste decennia toe, onder meer vanwege de snelle vermeerdering van de beroepsbevolking, waarvan 25% werkzaam is in de landbouw.


VEETEELT.

De veeteelt is niet van groot belang. Bosexploitatie en houtverwerking geven ca. 4% van de beroepsbevolking werk. Visserij is in de jaren zestig van belang geworden. Afgezien van de bauxietverwerking, is de industrie niet van grote betekenis. De op de binnenlandse markt gerichte bedrijven moeten de benodigde grond- en hulpstoffen grotendeels invoeren, waardoor de toegevoegde waarde gering is. De belangrijkste partners op het gebied van de handel zijn: de Verenigde Staten, het Caraïbisch gebied, Nederland en de overige EEG-landen. Goede vooruitzichten zijn er voor de winning van aardolie en goud. De aardolie reserves van Suriname bevinden zich voornamelijk in twee grote velden voor de kust van Suriname.
 

BEVOLKING.

De bevolking vertoont een grote etnische verscheidenheid ten gevolge van de gevoerde koloniale arbeidspolitiek tot instandhouding van de plantagelandbouw. Deze gevarieerdheid heeft geleid tot wat wel wordt genoemd een plurale of gesegmenteerde samenleving waarbinnen diverse etnische groeperingen relatief zelfstandig functioneren, van de culturele assimilatie is nog weinig sprake . In de koloniale en post-koloniale periode (d.i. tot eind 1975) is de etnisch-culturele scheiding niet door een effectief nationaal cultuurbeleid tegemoetgetreden: de hiervoor benodigde middelen bleven grotendeels achterwege, onder meer door de noodzakelijke bestedingen in de sociaal-economische sfeer.

Tot dusver heeft zich het streven naar eenheid in verscheidenheid nog slechts in hoofdzaak langs formele weg gemanifesteerd, o.a. door het instellen van officiŰle feestdagen, waarbij christelijke, hindoe´stische en islamitische feestdagen een plaats kregen naast nationale gedenkdagen als emancipatiedag (1 juli) en onafhankelijkheidsdag (25 nov.). In nationalistische stromingen en binnen de vakbeweging zijn sporen van inter-etnische groepsvorming aanwijsbaar.

De Creolen zijn oververtegenwoordigd in de stad (ca. 75% woont in Paramaribo). velen hebben van oudsher een administratieve werkkring of vervullen de meer technische beroepen. Een gering aantal is in de landbouw werkzaam. Hun sociaal-politieke dominantie is in de loop der jaren aangetast door de relatief sterke demografische en sociaal-economische groei van de Hindostanen, die in de stedelijke administratie (35-40% woont in Paramaribo) een plaats naast de Creolen opeisen en een belangrijk deel van de handel in handen hebben. Daarnaast vormen zij de meerderheid onder de kleinlandbouwers.

Evenals de Hindoestanen zijn de Javanen niet meer uitsluitend landbouwers. Er is sprake van een duidelijk proces van sociaal-economische stijging.

De Chinezen hebben in aanvulling op de Hindoestanen een deel van de handel in handen. Zij bezitten een hoog aspiratieniveau voor hun kinderen.

Europeanen (voornamelijk Nederlanders) en andere etnische groepen, onder wie Libanezen, zijn in aantal gering, maar hun sociale en economische invloed is niet onbelangrijk.

De Bosnegers wonen als afstammelingen van de plantages gevluchte slaven (marrons) merendeels in het binnenland. De openlegging daarvan heeft hen dichter bij de Surinaamse kustsamenleving gebracht; hetzelfde geldt - in beperkte mate - ook voor de Indianen.

Godsdienst.

De godsdienstige verscheidenheid is in hoge mate congruent met de etnische. De Creolen behoren voornamelijk tot de christelijke kerken, te weten:
1. voor circa 40% tot de Rooms-Katholieke Kerk (het in 1958 opgerichte en heel Suriname omvattende bisdom Paramaribo wordt sedert 1970 bestuurd door een Surinaamse bisschop).
2. eveneens voor 40% tot de Evangelische Broedergemeente ( E.B.G.)
3. voor 15% tot de Hervormde Gemeente en de Evangelisch-Lutherse Gemeente (beide laatstgenoemde zijn vooral de kerken van de hogere sociale lagen).

De laatste tijd nemen door de pinksterbeweging ge´nspireerde stromingen "vooral onder de minder bedeelde Creolen"  toe.

Tot de religieuze uitingen van de Creolen valt ook de beoefening van de winti-cultus te rekenen.

De joodse gemeenten zijn de laatste decennia qua invloed en aantal in betekenis verminderd.

De Hindoestanen hangen voor bijna 80% het hindoe´sme aan (twee stromingen: Sanatan Dharm en Arya Samaj). Circa 15% van de Hindostanen is moslim , 5% is christen.

De Javanen zijn in hoofdzaak moslim, ca. 7% is christen.

De Indianen zijn grotendeels door missie en zending met het christendom in aanraking gebracht, voor een kleiner deel belijden zij hun traditionele godsdienst.

De Bosnegers zijn (voor wat betreft de Saramaccaners) eensdeels gekerstend, anderdeels beoefenen zij een traditionele godsdienst van Afrikaanse herkomst.

Onderwijs.

Suriname heeft grote onderwijsproblemen, samenhangend met de etnisch-culturele verscheidenheid en vragen rond culturele identiteit. Ook de personeelsvoorziening is door een sterke trek van onderwijzers naar Nederland problematisch geworden. We hebben vooral ook te kampen gehad met brain drain. Bij de opzet en uitbouw van het onderwijs hebben zending en missie een belangrijke rol gespeeld. Een aanzienlijk deel van de scholen is in handen van de EBG en de Rooms-Katholieke Kerk.

Sinds 1968 bezit Suriname een universiteit.
 

Google